Hoe het leven in het verpleeghuis haar kampverleden naar boven haalde 4


Mineke nodigt mij uit om in haar kamer te gaan zitten. Daar is het rustig en worden we niet gestoord. Mineke leeft samen met zes andere mensen in een woongroep in het verzorgingshuis aan de overkant van mijn straat.

Mineke

In totaal wonen negentig mensen met dementie in dertien appartementen in het nieuwbouwcomplex op de voormalige Ripperdakazerne. Tot 1999 resideert hier de cavalerie. Daarna wordt op het kazernecomplex nog een tijdje een vluchtelingenkamp ingericht, waarna het vervolgens omgetoverd wordt tot een luxe woonkazerne voor tweeverdiener.

Het exercitieveld is in ere hersteld. Al wordt het nu niet meer door de cavalerie gebruikt, maar zijn het groepjes sportievelingen die er ’s avonds hun bokstrainingen of bootcamps afwerken. Overdag spelen de peuters uit de aangrenzende kinderopvang op het gazon of krijten ze op de stoep. In de zomer picknicken verliefde stelletjes op kleedjes op het gras. Mineke mag de taferelen vanuit haar gedeelde woonkamer graag zien.

Ze gaat me voor naar de woonkamer. Meteen bij binnenkomst tref ik een medebewoonster aan. Ze zit scheef en onderuit gezakt in een rolstoel met antidecubitus kussens, met haar rug naar de deur. Naast haar zit haar man, die haar hand vasthoudt en haar lieve, bemoedigende woordjes toespreekt. Ze heeft haar ogen half gesloten. Als ze mij opmerkt, probeert ze haar vrije hand op te tillen en humt ze iets. Ik beschouw het als een begroeting. Ik geef haar een hand en stel mezelf voor. Ik betrap mezelf erop dat ik de neiging heb om hard te praten, terwijl ik geen idee heb of mevrouw doof is.

Aan het andere eind van de tafel, met daarop een vrolijk en makkelijk afneembaar tafelkleed, zit een dame met prachtig lang, grijs haar in de zon te dommelen. In het midden van de kamer staat een magere man opgewonden te praten. Hij vertelt dat hij vanavond uit eten gaat. Eens in de paar maanden wordt de ruimte van de dagbesteding in het verzorgingshuis omgebouwd tot restaurant.

Ik geef de man een hand, die hij met beide handen aanneemt.

“Ga jij ook naar het restaurant?”, vraagt hij met een Indonesische tongval. Als ik me netjes gedraag, dan mag ik van hem ook komen.

Intussen is Mineke doorgelopen. Ze loopt via de gang naar haar kamer. Ik haast me achter haar aan. De kamer van Mineke is niet veel groter dan de gemiddelde studentenkamer. Er is plaats voor een instellingsbed, een dressoir, twee gemakkelijke fauteuils en een tafeltje met snuisterijen en herinneringen. Voor haar piano was geen plek meer, dus die staat op de gang. Ondanks de beperkte ruimte is Mineke’s kamer niet ongezellig.

Mineke biedt mij een stoel aan bij het raam en gaat zelf in de andere zitten. Als we de benen strekken, raken onze voeten elkaar. Simone, de dochter van Mineke, nestelt zich bij gebrek aan meer stoelen op het bed. Zij is meegekomen om haar moeder te helpen met het verhaal als haar geheugen haar in de steek laat. Ik vraag Mineke en Simone of ze me kunnen vertellen wat er vooraf is gegaan aan de verhuizing naar het verzorgingshuis.

“Af en toe ben je een beetje in de war. Maar alles wat er in het moment gebeurt kun je nog goed volgen, toch Monni?”, zegt haar dochter, die in tegenstelling tot veel anderen mét in plaats van óver haar moeder praat. “En als je niet meteen het antwoord op een vraag weet, dan geef je gewoon het meest plausibele antwoord. Meestal is dat nog goed ook.

“Zo is dat”, zegt Mineke. Gedistingeerd zit ze in haar stoel. Ze straalt een en al rust uit en neemt pas het woord wanneer een ander is uitgesproken.

Voordat Mineke twee jaar geleden mijn overbuur- vrouw werd, woonde ze in een appartement in Utrecht. Daar was ze naar toe verhuisd nadat haar man, Joop Doorman, in 2009 was overleden. Hij was directeur van de VPRO en hoogleraar filosofie en exacte wetenschappen. Mineke woonde jarenlang met hem in Waarder in het Groene Hart. De kinderen groeiden er op en Mineke werkte er door de week in het natuur- beheer. “Nergens zwaarder dan in Waarder”, grapt ze.

Ondanks dat zij agnost is, heeft ze al die jaren met veel plezier in het streng christelijke dorp gewoond. Dat ze daar op zondag niet kon pianospelen en er voor de kinderen geen ijsje in zat, heeft haar nooit gehinderd.

“Maar je man was directeur van de VPRO in de tijd dat die omroep niet meer door dominees werd bestuurd en de week door Cor Galis op de radio werd geopend met godverdómme, het is maandag. Desondanks werden jullie niet het dorp uitgejaagd?“

“Nee hoor, ik kon heel goed opschieten met de boeren. Het was de tijd dat de ruilverkaveling op zijn hoogtepunt was. Als bioloog moest ik met hen samenwerken, zodat er nog wat natuur overbleef. Dat ging altijd heel prettig. Alleen op zondag moesten we ons een beetje aanpassen. Nou ja, zo erg was dat niet. En de kinderen vonden het er ook heel fijn.“

De jaren op het platteland heeft Mineke als een van de mooiste periodes uit haar leven ervaren. Al van kindsbeen af is zij het liefst in de natuur en als bioloog bij het Zuid-Hollands Landschap kon zij in het Groene Hart uitstekend uit de voeten. Maar als de kinderen het huis uit zijn en zeven jaar geleden haar man overlijdt, is ze half zeventig en besluit ze het huis te verkopen. Ze koopt een appartement in Utrecht, in de buurt van haar zoon. Als ze er net twee jaar woont, gaat het mis. Ogenschijnlijk uit het niets raakt Mineke de kluts kwijt. Ze herkent haar eigen huis niet en staat met haar koffers bij de voordeur.

Volgens Simone werd iedereen erdoor overvallen. “Mijn broer en ik zagen het helemaal niet aankomen. Waarschijnlijk sluimerde er al langer iets, maar wist je dat voor ons goed te verbergen. Nu was je opeens een paar weken helemaal in de war. We hebben je toen meegenomen naar de dokter. Die dacht eerst nog aan een kleine tia, maar het bleek Alzheimer te zijn.”

“Dat is dan vast een klap in het gezicht geweest”, informeer ik, maar Mineke doet er vrij luchtig over. Ze kan zich van het moment niets herinneren. “Ach, ik ben nogal nuchter”, zegt ze. “Ik heb het meteen geaccepteerd: nou, dan heb ik het dus. Ik probeer er maar het beste van te maken. Je hoort het van wel meer mensen van mijn leeftijd.”

Dat is waar, maar ik kan me nauwelijks voorstellen dat je daar de schouders voor ophaalt. Ik vraag hoe het toen verder met haar ging, daar alleen in haar flat in Utrecht. Dat weet Mineke eigenlijk niet meer, dus helpt Simone haar. “We hebben buurtzorg ingeschakeld. Drie keer per dag kwam er iemand even langs en die hielp je dan met kleine praktische zaken. Daardoor keerde de rust snel terug en ging het weer een stuk beter met je.”

“Oh ja, nou het gaat nu ook nog goed met me”, reageert Mineke, terwijl ze haar theekopje op het schoteltje in haar schoot zet. Ze begrijpt wel dat het over haar gaat, maar ze kan zich niet meer herinneren dat ze er zelf bij was.

Ondanks dat het door de inschakeling van buurtzorg weer even goed met hun moeder gaat, ontdekken haar kinderen van lieverlee steeds meer zaken die erop wijzen dat het leven van Mineke ingewikkelder wordt. Op een dag vindt Simone honderden briefjes in huis, waarop hele stukken tekst uit boeken staan. Mineke heeft die allemaal overgeschreven. Ze wilde graag mee blijven doen met haar literatuurclub, maar wat ze las wilde niet meer beklijven. En omdat de piano in een aparte kamer en uit het zicht stond, was Mineke vergeten dat ze zo van musiceren houdt. Het enige dat nog wel goed ging, was wandelen.

“Je ging extreem veel wandelen. Je liep eigenlijk altijd buiten”, vertelt Simone vanaf het bed. “Totdat je ging verdwalen. Utrecht is een grote stad. We hebben in die tijd een GPS gekocht. Mijn broer kon dan bellen naar die GPS en op de computer de coördinaten invoeren. Als hij dan zag dat je ergens was waar je niet moest zijn, sprong hij op de fiets om je op te pikken. Maar Michiel kon natuurlijk niet de hele dag op dat ding kijken, dus ben je ook twee keer door de politie thuisgebracht, omdat je langs de snelweg liep, op weg naar de Oude Hortus.”

“Dat was wel een beetje gênant, ja. Maar die jongens van de politie waren heel aardig. Ik denk dat ze het eigenlijk wel leuk vonden.”

En zo kwam van het een het ander. Koken ging nog wel, maar als ze klaar was, zette ze de pannetjes op het balkon en keek er niet meer naar om. Ook zat ze ’s avonds vaak in het donker, omdat het niet meer in haar op kwam om het licht aan te doen. Buurtzorg begon zich zorgen te maken. Ze zagen Mineke steeds vaker over straat gaan, maar wat eerst stevig wandelen was, kreeg steeds meer het beeld van dwalen.

Zo gebeurde het dat op een zekere maandagavond haar kinderen opeens samen voor haar deur stonden. Goh, wat leuk, dacht ze nog. Allebei de kinderen tegelijk op bezoek. Dat gebeurt niet vaak. Meestal kwamen Michiel en Simone om de beurt bij hun moeder op bezoek. Een enkele keer kwamen ze met de hele familie bij elkaar voor een etentje of om de feestdagen samen door te brengen. Maar zomaar op een maandagavond, dat kwam zelden voor. De kinderen kwamen die keer echter niet voor de gezelligheid.

“Michiel en ik hebben je toen verteld dat je de volgende dag zou gaan verhuizen. Met buurtzorg waren we het erover eens geworden dat het beter was dat je naar een verzorgingshuis zou gaan. Ik was wel even bang dat je hier tegen zou protesteren, maar je reageerde heel rustig en stemde er vrijwel gelijk mee in. We hebben ’s avonds wat spullen ingepakt en ik ben bij je blijven slapen. De volgende ochtend zijn we hiernaartoe gereden. Je gaf je helemaal aan ons over. Het is Haarlem geworden omdat ik ook in de stad woon en hier was vrij snel een kamer voor jou vrij.”

Nu woont Mineke met vijf andere dames en een heer in een van de dertien woningen in het verzorgingshuis op de Ripperda.

“Ik vind deze omgeving heel prettig, hoor. Hier is het ook mooi. Je kunt hier fijne wandelingen maken zonder te verdwalen. Wat dat betreft zit ik hier beter dan in Waarder. Mijn leven is er natuurlijk wel door veranderd. Maar ik doe liever andere dingen dan over Alzheimer nadenken. Ik doe wel mijn best om mijn hersenen actief te houden. Dan ga ik naar buiten om de plantensoorten te herkennen en me te verdiepen in de geschiedenis, dat vind ik ook erg interessant”, gaat ze verder. “Ach ja, ik accepteer het maar. Ik wil geen last zijn voor de samenleving en voor de kinderen.”

“Denk je er zo over?” vraag ik haar. “Accepteer je wat je overkomt omdat je geen last wilt zijn voor anderen?”

“Ja, van onze soort moet je er niet te veel hebben, hoor. Ik begrijp best dat het lastig is voor de kinderen en ook voor de verzorgers hier. Dus ik vraag maar niet te veel.”

“Kun je dan nog wel doen wat je wilt?”

“Oh ja, hoor. Ik kan wel een wandeling maken. Ze zijn hier wel streng. Terecht. En ik zeg dan ook precies waar ik naartoe ga. Bijvoorbeeld alleen naar het kanaal.”

“Uhm, dat kan nou dus net niet meer, Monni”, valt Simone in.

“Oh ja. Nou ja, een rondje om het grasveld, dat kan wel.”

“Dat mag je wel alleen. Maar naar het Spaarne, of de stadskweektuin, dat doe je dan met mij of met Michiel.”

“Ze vinden mij soms een beetje te gevaarlijk”, zegt Mineke lachend. Sinds ze hier woont heeft ze, tot grote schrik van haar verzorgsters, al drie keer de kuierlatten genomen. Ze vindt het nou eenmaal al van kleins af aan heerlijk om door stad en land te dwalen. “Ik vind verdwalen helemaal niet erg. Dan kom je op de mooiste plekjes. Mijn ouders vonden het vroeger ook al vreselijk dat ik ging dwalen. Telkens kwam ik weer te laat voor het eten. Op een zeker moment hebben ze zich er maar niet meer druk over gemaakt, omdat ik toch altijd weer thuiskwam.”

“Dus je loopt nu rondjes om het grasveld? Dat lijkt me voor een bioloog niet zo heel spannend. Hoe kom je dan je dagen door?”

“Oh, Ik doe van alles. Iedere dag is weer anders. Er is hier een bibliotheek, daar ga ik bijna elke dag naartoe. Dan lees ik natuurwetenschappelijke boeken en tijdschriften. En ik wandel kleine rondjes. Nee, het bevalt me heel goed. En de kinderen komen ook vaak langs. Meestal gaan we dan wel even wandelen. En anders kan ik altijd nog pianospelen. Ja hoor, het gaat nog best.”

“Wat is er in jouw leven zo belangrijk dat je zegt: dat wil ik altijd kunnen blijven doen?”

“Nou, wandelen door de natuur en de planten bestuderen. Dat zou ik heel graag blijven doen. En dat kan ik ook nog goed. Ik ben een tengere vrouw, dus ik ga lang mee. En anders kan ik altijd nog pianospelen. Ik moet het maar accepteren.”

’s Avonds zie ik vanuit mijn huis Mineke haar rondje om het grasveld weer maken. Kaarsrecht en met stevige tred loopt ze om het exercitieveld van het voormalige kazerneterrein. In de deuropening staat haar verzorgster met een collega een sigaretje te roken. Ik snap wel dat de verzorgsters niet veel verder komen dan haar af en toe meenemen om boodschappen te doen. Waar zouden ze de tijd vandaan moeten halen? Een enkele keer, als er een extra hulp op de woning is, nemen ze haar mee voor een wandeling door de buurt. Accepteren, je aanpassen en niet klagen. Het is de mantra waarmee Mineke zich op de been houdt.

Leven met dementie

Een hoofd met voeten

Een paar weken later ontmoet ik Mineke in het atelier van het Haarlemse cultuurcentrum Hart. Samen met Theo en Nico gaan we portretten maken van papier.

Van het Museum of Modern Arts in New York hebben we afgekeken dat met elkaar kunstzinnige werken maken een prettige manier is om samen te zijn. Door samen creatief bezig te zijn, leren we elkaar beter kennen en voelen we ons vertrouwd met elkaar. Bovendien worden mensen met dementie op deze manier cognitief geprikkeld. Dat brengt, haast vanzelf, het gesprek op gang. Bijvoorbeeld over de eigen beleving van Alzheimer.

De workshopleidster legt een stapel gekleurd papier, scharen en lijm op tafel. “We gaan een zelfportret maken”, legt ze uit. “Maar geen gewoon zelfportret. Een gevoelsportret.”

Nico haalt uit de binnenzak van zijn colbert een vel papier tevoorschijn en legt die in het midden op tafel. Gisteravond is hij zelf al aan het tekenen gegaan en laat ons zien wat hij heeft gemaakt. “Alzheimer. Doe ik nog mee?”, staat er geschreven bij een figuurtje met een hoedje op, dat boven op een berg lijkt te zitten. Theo steekt zijn handen in de lucht. “Ik heb twee linkerhanden. Ik kan dat niet.”

Mineke zegt niets en begint gewoon. Aandachtig knipt ze vormen uit verschillende kleuren papier en schuift die over een groot vel tot er een kopvoeter verschijnt. Oorlog voeren? Nee!, noemt ze het werk. Ik vraag haar waarom ze er juist deze titel aan geeft. Ze vertelt dat ze de Tweede Wereldoorlog heeft doorgebracht in een jappenkamp op Java. Daar had ze helemaal niets, behalve een poëziealbum, een tekenboekje en een paar stompjes potlood. Ik vraag of ze die boekjes heeft bewaard. Ze weet het niet zeker en zegt dat ze thuis eens zou moeten kijken.

Achter het prikkeldraad komt de zon op

Nieuwsgierig gemaakt door Mineke’s kampverleden, ga ik opnieuw bij haar op bezoek. Hopelijk kunnen we haar poëziealbum en tekenboekje vinden. We duiken samen in haar kast en na een tijdje zoeken vinden we tussen paperassen, tijdschriften en fotoalbums de twee door de tijd broos geworden boekjes. Het waren Mineke’s enige persoonlijke bezittingen in kamp Lampersari op Java, waar ze samen met haar moeder van haar tiende tot haar dertiende opgesloten zat.

Met een kopje thee gaan we in haar zithoek zitten en bladeren we door het tekenboekje. Het is een schriftje met dunne gladde blaadjes; het staat vol met gedetailleerde tekeningen, waarvan je niet zou denken dat ze gemaakt zijn door een meisje van tien jaar.

Op de eerste bladzijden staan nog onschuldige tekeningen van sprookjesfiguren, maar al snel worden het landschapstekeningen van het kamp, dat steevast begrensd wordt door een hek van prikkeldraad. Op één van de tekeningen staat op de voorgrond een metershoog hek, met daarachter palmbomen en in de horizon een uitbundig opkomende zon. Ik vind het een choquerend beeld.

“Dus dit was je uitzicht?”, vraag ik. “De zon die opkomt achter het hek. Een onbereikbare vrijheid.”

“Ja, we konden nergens heen”, zegt Mineke. “Vier jaar lang heb ik daar met mijn moeder gezeten. Mijn broer en mijn vader zaten in een ander kamp, want de mannen en jongens ouder dan tien jaar werden van de vrouwen gescheiden.”

We bladeren door het album, dat begint in 1941, het jaar waarin de versjes nog werden voorzien van vrolijke plakplaatjes. Een paar bladzijden verder worden er geen plaatjes meer geplakt en staat er een tekeningetje bij de inmiddels met potlood geschreven versjes. Mineke is dan al geïnterneerd. De versjes worden regelmatig ondertekend met een naam en daarbij je kampvriendinnetje. De meesten weet ze zich niet meer of slechts vaag te herinneren, behalve de toen 17-jarige Atie Poutsma. Die schrijft op 2 augustus 1945 in ongelooflijk kleine letters:

 

Des morgens vroeg voor dag en dauw
Is Mineke al aan de sjouw
Plantjes gieten, stekjes rapen
’t Is toch nog vroeg, laat Jan maar slapen
Voor ’n uurtje naar huis om pap te eten
Wat ’n stevig ontbijt is, zijn we allang vergeten
Om 9 uur was ’t aantreden boven
En voor degenen die ’t wel gelóven
Laatst was er een stel, veel te laat op appèl
Inspectie van Jantje – hij sprong uit z’n vel!
Wel 20 gestraften moesten staan in de zon
Als Jan uit z’n slof schiet is hij zonder pardon
Maar de volgende dag om ’t goed te maken
Deelt hij suiker uit aan al z’n snaken 

 

Het vers kent nog zevenentwintig regels en sluit af met: Patjolploeg ik blijf je trouw!
 
Op de bladzijde ernaast heeft Mineke’s kampvriendin een tekening gemaakt van kinderen en vrouwen die het land bewerken, onder het toeziend oog van een bewaker.
 
“Dat is Jan met de handjes”, zegt Mineke. “Als we niet op tijd waren voor het appèl of er werd een streek uitgehaald, dan kreeg je een pak slaag of hij zette je urenlang in de brandende zon.”
 
“Hoe was het leven in het kamp?”, wil ik weten
 
Volgens Mineke hadden ze het er nog niet eens zo slecht. “Maar ja, er was natuurlijk nauwelijks te eten en we konden niet naar school. Daarom werkte ik in de patjolploeg. Wij moesten het land bewerken. Zwaar werk, maar dat vond ik niet erg. Dan waren we tenminste buiten en hadden we iets te doen.”
 
We bladeren verder en komen voorin het album een versje van haar broer tegen.

 

Lieve Mineke,
Nu spelen wij nog samen
Eens is de tijd voorbij
En als je dit later overleest
Denk dan nog eens aan mij.
Niek

 

“Je broer leeft inmiddels niet meer, hè?”, vraag ik.
 
“Nee, die is in het kamp overleden. Nadat we door de Engelsen waren bevrijd, werden de mannen en de jongens al snel weer opgepakt en opnieuw in het kamp gezet. Ditmaal door de Indonesiërs die aan hun onafhankelijkheidsstrijd waren begonnen. Maar mijn broer werd ziek en overleed.”
 
“Dus die heb je nooit meer gezien?”
 
“Nou ja, alleen nog toen ze zijn lijk kwamen brengen. Ze gooiden hem zo op de tafel. Nee, de Indonesiërs waren niet zo dol op de Hollanders in die tijd.”
 
Haar vader heeft het kamp wel overleefd; zodra hij vrij kwam zijn ze naar Nederland gerepatrieerd. Achter in haar tekenboekje zitten een paar velletjes papier. Liedjes uit de Tegelbergboot staat erboven. Dat is het schip waarop Mineke met ruim vijftienhonderd anderen in augustus 1946 terug naar Nederland reisde. Om de tijd te doden werden er aan boord liedjes gezongen. Het eerste liedje is van Cole Porter.

 

Don’t fence me in
Oh give me land, lots of land under starry skies above
Don’t fence me in
Let me ride trough the wide open countries that I love

 

“Toepasselijk liedje”, zeg ik. “Enerzijds een bevrijdingsliedje, anderzijds is het je persoonlijk motto geworden. Want sindsdien ben je altijd op pad in het open land.”

 

Dwalen met de boswachter

Ik snap nu waarom Mineke haar zelfportret Oorlog voeren? Nee! noemde. Na de oorlog zou niemand haar meer haar vrijheid ontnemen. Eenmaal terug in Nederland haalt ze de verloren schooljaren in rap tempo in en gaat ze biologie studeren, om vervolgens haar verdere leven te wijden aan het buitenleven en de natuur. Omdat ze als gevolg van de Alzheimer nu nauwelijks nog verder komt dan een rondje om het exercitieveld, heb ik een verrassing voor haar bedacht.

Als ik het veld oversteek, ziet ze me al aankomen en loopt ze naar de voordeur. Normaal krijg je de deur alleen open met een elektronische sleutel. Die heeft zij niet, maar toch weet ze met een druk op de knop de deur te openen.

“Hoe doe je dat?”, vraag ik, terwijl ik haar een hand geef. “Heb je tegenwoordig een sleutel van de voordeur?”

“Oh, nee hoor. Er zit daar gewoon een knop.” Ze wijst naar het brandalarm, dat op amper tien centimeter naast het elektronische sleutelgat aan de muur hangt. Dat heeft ze goed afgekeken, denk ik.

“Ah, en heb je de brandweer nog op bezoek gehad?”

Ze kijkt me niet begrijpend aan.

“Oh, dan moet ik daar voortaan maar niet meer aanzitten”, zegt ze bedremmeld.

Ik vraag Mineke hoe ze het zou vinden als we samen door de natuur gaan dwalen. Ze kijkt me stralend aan.

“Wat leuk, eindelijk naar buiten zonder bewaking.”

Een half uurtje later kloppen we op de zware houten deur van het poorthuis van landgoed Elswout. Marijke, een jonge vrouw in boswachterstenue met dito hoedje op, zwaait de deur open en heet ons hartelijk welkom. Bij een kopje koffie krijgen we eerst een korte uitleg over het landgoed en de vele uitheemse planten die er groeien. Alles ooit aangelegd door de puissant rijke familie Borski, die ook wel de financiers van Koning Willem II werden genoemd. Maar dat zijn teveel details. We gaan snel naar buiten om over het landgoed te dwalen.

“Kan ik mijn tasje hier laten liggen?”, vraagt Mineke.

“Dat zal geen probleem zijn”, zeg ik. “Ik laat mijn tas hier ook achter en de boswachter sluit de deur af.”

Nog geen kilometer verder heb ik er al spijt van. Terwijl de boswachter Mineke wijst op allerlei bijzondere planten en wetenswaardigheden vertelt waar een biologenhart sneller van gaat kloppen, voelt Mineke de lege plek aan haar schouder.

“Weet jij waar mijn tasje is?”, vraagt ze me.Als de boswachter even later haar vinger in een kleverige groene gelei drukt en vertelt dat het algen zijn, wil Mineke alweer weten waar haar tasje is. Ze zal het nog een paar keer vragen, voor ze het vertrouwen heeft dat haar spullen veilig achter slot en grendel liggen. We kuieren verder over smalle kronkelpaadjes, pittoreske houten bruggetjes en langs uitheemse stinsenplanten.

De boswachter en ik rapen her en der een mooi blad van de grond en ik moedig Mineke aan om dit ook te doen als ze iets moois ziet liggen.

“Nee hoor”, zegt ze. “Ik kan hier moeilijk het verkeerde voorbeeld geven.”

Als we aan het eind van de middag weer thuiskomen, worden we hartelijk en nieuwsgierig ontvangen door Lida, de verzorgster in haar woning, die twee hondjes heeft meegenomen naar het werk. Ze begroeten ons enthousiast.

“Hoe was de wandeling met de boswachter?”, wil ze weten.

"Wandeling met de boswachter?"

 

Lida serveert thee en we bekijken de foto’s op mijn Iphone. Het komt Mineke niet erg bekend voor, maar wat ze ziet, vindt ze prachtig.

Na de thee vraagt Lida of Mineke zin heeft om aardappelen te schillen. Dat heeft Mineke wel. Ze helpt altijd mee in het huishouden. Dat vindt ze leuk en zo maakt ze zich ook nog een beetje verdienstelijk. En zolang ze nog mee kan helpen, doet ze het met plezier. Lida drukt haar een grote zak aardappelen in de handen. Mineke pakt de zak aan en legt die midden op tafel. Aan het ene hoofdeinde zit de dame in de rolstoel onderuitgezakt voor zich uit te kijken. Aan de andere kant zit de vrouw met de mooie haren in de zon te dutten. In het midden zit Minte met haar vingers op het vrolijke bloemetjeszeil te trommelen. Als Mineke de zak aardappelen op tafel legt, wordt ze nieuwsgierig en knijpt met haar vingers in de piepers. 

“Heb jij ook zin om mee te helpen?”, vraagt Lida. Dat wil Minte wel, maar ze heeft geen idee wat ze met de aardappelen aan moet. Ze draait een aardappel door haar handen en bestudeert hem nauwkeurig.

“Je moet hem schillen”, zegt Mineke. Minte kijkt haar vragend aan en grabbelt dan ook een mesje van tafel en begint voorzichtig te schillen. Van de zeven bewoners van het huis is Mineke degene die nog het meeste kan. Fluks schilt ze een paar aardappelen. De dame met de mooie haren dut onverstoorbaar door en de vrouw in de rolstoel murmelt wat. Lida herschikt haar kussen nog eens en veegt een draad speeksel van haar kin.

“Na de ochtendzorg is het avondeten het drukste moment van de dag. En omdat er nu maar een verzorgster voor zeven bewoners aanwezig is, komt er regelmatig een kookhulp. Meestal jonge jongens en meisjes, die twee uurtjes komen helpen.” Vandaag is het Rutger, een goedlachse jongeman die in de keuken een enorme stapel gehaktballen staat te draaien.

“Dit is de woning waar de minste problemen zijn”, gaat Lida verder, terwijl ze roosjes bloemkool in de pan gooit. “De bewoners matchen goed met elkaar. Maar er zijn ook woningen waar ze elkaar de tent uitvechten.”

“Een enkele keer loopt het uit de hand en geven ze elkaar een draai om de oren”, vertelt Lida. “Daar heb je je handen dan wel vol aan. Gelukkig hebben we daar in onze woning geen last van. Natuurlijk zijn er hier ook weleens issues, maar die lossen zich nog makkelijk op. Wat ook helpt is dat er hier drie mensen wonen die in Indonesië hebben gewoond. Toevallig, maar zo’n gezamenlijk verleden schept wel een band.”

“Ja hoor”, interrumpeert Mineke. “En we koken vaak ook nog Indonesisch. Dat is toch wel het lekkerste hoor, Indonesisch eten.”

Als een half uurtje later de Hollandse pot op tafel komt, vliegt de deur open en komt Regina met een bord eten de kamer binnen vallen. “Ik kom even bij jullie zitten, hoor”, verzucht ze. Regina is verzorgende in de naastgelegen woning. Daar leeft men wat minder harmonieus met elkaar samen. Af en toe vliegt het haar naar de keel en moet ze er even tussenuit. Omdat de verzorgsters geen pauze hebben, moeten ze hun moment rust zien te vinden wanneer de situatie dat toelaat. Nu bij haar de meute aan tafel zit en haar kookhulp de bewoners helpt, kan zij er even tussenuit.

“Vroeger stonden we altijd met twee op een woning. Nu sta je alleen. We hadden een werkster die kwam stofzuigen en zo, dat moet ik nu ook zelf doen. Als ik straks iemand naar bed moet brengen, dan moet ik Lida vragen om mij te helpen. En ik moet daarna Lida in haar woning weer helpen met mevrouw Jansen. Dus iedereen moet op vaste tijden naar bed, anders redden we het niet om om elf uur klaar te zijn.”

Terwijl de buurvrouw stoom afblaast, eet de rest van het gezelschap onverstoorbaar door. Inmiddels is het tijd voor het dessert; pudding met slagroom.

“We spuiten hier overal slagroom op”, zegt Lida. De dame met de mooie haren heeft na een paar happen al genoeg. Ze legt haar bestek neer en laat het hoofd weer hangen om verder te dutten. Mineke eet als een bootwerker en bedient zichzelf een tweede keer.

“Ja, als je zoveel wandelt als ik, dan moet je goed eten.”

Minte probeert met bibberende handen een hapje op haar lepel te laten balanceren. Als de pudding voor de derde keer in haar schoot tuimelt, geeft ze het op en veegt ze haar vingers af aan het tafelkleed.

Nadat we de tafel hebben afgeruimd, wil Mineke nog even de benen strekken. Ze neemt het hondje mee aan de leiband en wil automatisch haar blokje om het exercitieveld lopen. Ik stel voor om even door te lopen. Achter het hoofdgebouw van de voormalige kazerne ligt mijn moestuin. Daar wil ik met haar naartoe.

“Nou, laten we maar even kijken dan als jij dat leuk vindt.” In marstempo banjert ze langs de groenten.

“Kijk, dit is mijn tuin”, probeer ik nog. “Zie de tuinbonen en het appelboompje eens bloeien.” Maar Mineke staat alweer aan de andere kant van het schapenhek en trekt het keffertje achter zich aan. Ze wil niet te lang wegblijven. Anders gaan ze zich maar afvragen waar ze toch blijft.

Delen :

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

4 gedachten over “Hoe het leven in het verpleeghuis haar kampverleden naar boven haalde

  • a. de reuver

    Als vrijwilligster ken ik Mineke als een vrouw die graag meezingt op maandagmiddag in de grote zaal met veel bewoners uit de woningen. Ze is altijd bescheiden en vriendelijk.
    MIJn man was een paar jaar geleden als vrijwilliger in de tuinen daar bezig. Men vertelde hem dat er iemand was komen wonen, die graag met tuinen bezig was. Daarop zorgde hij voor wat plantjes zodat ze kon helpen. Het helpen is nooit gelukt, dan weer vond ze het te koud, dan weer een andere reden, uiteindelijk deed hij het zelf maar. Nu begrijp ik, dat ze meer van het regelen, dan van het wroeten in de aarde was!

  • K.G.Loots

    Als vrijwilliger bij Overspaarne maakte ik haar veel mee tijdens het vaste wandeluurtje op de woensdagochtend, waarop we met een groep bewoners én vrijwilligers ca. een uurtje naar buiten gaan en per keer weer verschillende (enigszins vaste) routes lopen. De belevingswereld van Mineke zoals beschreven in dit verhaal herken ik wel; haar tasje is altijd erg belangrijk voor haar en onderweg heeft zij altijd byzonder veel aandacht voor de diversiteit van bloemen, struiken, planten en bomen. Heel leerzaam voor menig vrijwilliger waarvan de kennis over de flora bij wijze van spreken niet veel verder gaat dan het verschil tussen een roos en een madeliefje. De laatste tijd is Mineke vaak met familie aan het wandelen en gaat ze wat minder vaak mee met de wandelgroep. Maar ook bij de diverse andere activiteiten zoals o.a het zingen of muzikale optredens is ze graag van de partij en zie je haar heerlijk genieten. Ook schuift ze graag bij een tafel met kletsende bewoners en/of vrijwilligers aan voor een ‘goed gesprek’ en altijd met dezelfde bescheidenheid en waar nodig een ‘helpende hand’ om even wat koffiekopjes op te ruimen o.i.d. Heel leuk en interessant om haar door een verhaal zoals hier weer een klein beetje beter te leren kennen.a

  • Willy prast.

    Wat heerlijk. Dat er toch mensen zijn die belangstelling hebben , Voor een ander
    Ik heb het verhaal met veel plezier gelezen. Heel mooi om de achtergrond van een mede bewoner. Wat beter te leren kennen.
    Ik zelf loop ook al een aantal jaren bij overspaarne mijn schoonzus is een bewoner op kurasier 5. En ik vindt het heerlijk om veel bij haar te zijn en een extra handje mee te helpen.
    Want zo als je het zo goed beschreef komt er steeds meer op de schouders van de verzorgende . En dan is het fijn als er familie is die helpt

  • Willy prast.

    Wat heerlijk. Dat er toch mensen zijn die belangstelling hebben , Voor een ander
    Ik heb het verhaal met veel plezier gelezen. Heel mooi om de achtergrond van een mede bewoner. Wat beter te leren kennen.
    Ik zelf loop ook al een aantal jaren bij overspaarne mijn schoonzus is een bewoner op kurasier 5. En ik vindt het heerlijk om veel bij haar te zijn en een extra handje mee te helpen.
    Want zo als je het zo goed beschreef komt er steeds meer op de schouders van de verzorgende . En dan is het fijn als er familie is die helpt