Als Theo een half jaar voor zijn pensioen met behoud van salaris naar huis wordt gestuurd, komen de vragen. In plaats van te genieten van zijn vervroegd pensioen, trekt Theo zich terug in de beslotenheid van zijn eigen gedachten. Hij heeft nergens meer zin in, wil niet meer mee naar verjaardagen en lijkt zich steeds minder om de gezondheid van zijn vrouw Nel te bekommeren.

Theo

Nel begrijpt er niets van. Waarom vraagt hij niet hoe het in het ziekenhuis is geweest? Waarom komt hij zijn afspraken niet meer na en laat hij het huishouden steeds meer aan haar over? Waarom zit hij alleen nog maar op het balkon sigaretten te roken of op zijn computer eindeloos spelletjes patience te spelen? Waar is de oude zorgzame Theo gebleven? Nel krijgt er geen vat op en omdat Theo zelf niets zegt en alles met grote achteloosheid maar goed lijkt te vinden, besluit Nel op een dag dat het genoeg is geweest.

“Theo, dit kan ik niet langer. Ik ga bij je weg.”

Ogenschijnlijk onverschillig stemt hij er mee in dat Nel haar koffers pakt en bij haar zus intrekt. Zes maanden is ze van huis. Daar komt ze tot rust en hervindt ze haar leven. Maar dan kan ze niet langer blijven en moet ze terug naar huis. Als ze met haar koffers in de kamer staat, zit Theo nog altijd in zijn eigen wereldje en rookt hij zijn sigaretjes.

Omdat ze het gedrag van Theo niet begrijpt en noodgedwongen weer thuis moet wonen, neemt ze hem mee naar de dokter. Aanvankelijk komt daar niets bijzonders uit. Na een uitgebreid onderzoek wordt uiteindelijk toch de ziekte van Alzheimer bij hem geconstateerd. Het is een harde klap en Nel begrijpt dat zij Theo nu niet meer alleen kan laten. Ze besluit om de scheiding niet door te zetten en thuis te blijven wonen. Ze doet het uit piëteit voor hem. Sinds Theo en Nel samen zijn, heeft hij altijd voor haar gezorgd. Sinds haar jeugd kampt zij al met reumatische artritis.

“Maar dan nemen we wel ieder een eigen kamer. Dan houden we ieder onze vrijheid en privacy.”

En zo geschiedde.

Vier jaar later

Een magere man met knalrode leren laarzen verschijnt met zijn rollator in de deuropening van ontmoetingsgroep De Schakel in verzorgingshuis Overspaarne. Hij kijkt onderzoekend om zich heen en komt pas binnen als hij uitdrukkelijk welkom wordt geheten. Twee jaar lang heeft hij thuis achter zijn computerspelletjes patience zitten spelen, tot zijn vrouw er gek van werd en hem aanmeldde bij de ontmoetingsgroep voor mensen met beginnende dementie. Hij had er erg tegenop gezien, maar vandaag waagt hij het er toch maar op. “Als het niks is, dan ben ik zo weer thuis.”

 
Ik geef Theo een hand en stel me voor. Met zachte stem noemt hij zijn naam en vraagt wat hij moet doen. Ik begeleid hem naar de kapstok, waar hij zich op onvaste benen uit zijn leren jack wurmt. Wanneer hij na wat onhandig gefriemel zijn jack aan de kapstok heeft gehangen, hobbelt hij achter mij aan naar de tafel waar de andere deelnemers al hebben plaatsgenomen. Sommigen zitten stilletjes voor zich uit te kijken, anderen kletsen geamuseerd met hun buurvrouw.

Ik bied Theo een plaats aan naast Henk - de enige andere mannelijke deelnemer in deze groep - en stel hem voor. Henk geeft hem een hand en de dames begroeten Theo met geïnteresseerde vragen. Hij geeft korte antwoorden, die door de dames vooral worden aangegrepen om hun eigen verhaal te vertellen.

De gastvrouwen van de ontmoetingsgroep gaan rond met een kan koffie een schaal koekjes. Als iedereen is voorzien, neemt een van hen het voortouw om de dag te openen met de krant. Het Haarlems Dagblad komt op tafel en er wordt een aantal artikelen over het lokale nieuws voorgelezen. Ergens in de stad is een tentoonstelling over de Blauwe Tram, de tramlijn die ooit Haarlem met Zandvoort verbond. De dames uit het gezelschap halen direct herinneringen op en keuvelen gezellig door elkaar heen. Theo houdt zich afzijdig en drinkt zijn koffie. Alleen als even later een bericht over problemen bij Koninklijke Joh. Enschedé, de beroemde drukkerij van bankbiljetten, wordt voorgelezen reageert hij. “Daar heb ik gewerkt”, zegt hij. “Ik was er drukker.”
“Heb je er bankbiljetten achterovergedrukt”, grap ik. Theo kijkt mij aan door zijn beduimelde brillenglazen en tovert een brede grijns op zijn gezicht. Voor het eerst zie ik een twinkeling in zijn ogen. In een paar zinnen vertelt hij over zijn werk als drukker en zijn liefde voor de geur van papier en drukinkten. “Die geur, dat vergeet je nooit meer.”

Grapjes, daarmee lok je Theo uit zijn tent, zal ik al snel leren. Humor is het wapen waarmee hij zich een weg door het leven slaat en het breekt het ijs tussen ons.

Als de krant is gelezen en de koffie gedronken, is het tijd voor beweging. Een van de begeleidsters vraagt of ik zin heb om met de dames en Theo te gaan gymen. Hoewel ik slechts als vrijwilliger werkzaam ben en derhalve niet ben opgeleid tot gymleraar of bewegingsconsulent, stem ik ermee in. Ik ben al vaker bij het gymuurtje meegemaakt. Op een stoel zitten en een beetje met de armen en benen zwaaien, moet niet al te moeilijk zijn.

Theo vraagt me wat de bedoeling is en ik leg hem uit dat we een uurtje gaan sporten. Veel zin heeft hij er niet in, maar als ik hem vertel dat niets moet en alles mag, laat hij zich verleiden en klimt hij uit zijn stoel. De dames kennen inmiddels de weg naar de zaal van de fysiotherapie en haasten zich eerst nog even naar het toilet. Samen met Theo wandel ik door de gangen van het verzorgingshuis richting de zaal. Onderweg informeer ik hoe hij de dag tot dusver ervaart. Hij haalt zijn schouders op.

Theo is niet de enige die de stap naar een ontmoetingsgroep met lood in de schoenen heeft gezet. Ik heb het al vaker meegemaakt dat nieuwe deelnemers hier komen op initiatief van hun partner, t die ook wel eens een paar uur per dag de handen vrij wil hebben, terwijl ze er geen zin in hebben. Ik vertel Theo dat hij hier niet is omdat zijn vrouw dat graag wil. Dat is vaak wel de motivatie van de mantelzorger, maar het doel van de ontmoetingsgroep is om mensen met beginnende dementie een zinvolle dagbesteding te bieden. En om ervaringen met elkaar te delen. Dat kan helpen bij het omgaan met hun diagnose. Terwijl Theo achter zijn rollator door de gangen schuifelt, vertelt hij me dat hij nog nooit over zijn Alzheimer heeft gesproken en dat hij daar ook niet zo op zit te wachten. Hij houdt stil, kijkt uit het raam en wijst dan naar de woningen boven het verzorgingshuis. “Daar woon ik, op de tweede verdieping”, zegt hij. “Iedere dag kijk ik van mijn balkon in de tuin van dit tehuis en dan zie ik die stumperds hier rondscharrelen. Zij zijn allemaal veel verder heen dan ik. Wat moet ik dan praten? Dat het een rotziekte is? Dat weet ik zelf ook wel.”

Ik beaam dat het een vreselijke aandoening is en vertel dat ik me goed kan voorstellen dat hij het bijzonder moeilijk vindt om erover te praten. “Hoe heb je de afgelopen twee jaar dan doorgebracht? Doe je nog wat je leuk vindt?”

“Ach, ik speel een spelletje op de computer”, zegt hij gelaten. “Op de computer een spelletje patience spelen, dat vind ik leuk en ik mag graag naar vogels kijken. Vroeger ging ik de duinen in, daar kun je veel vogels zien, maar daar kom ik nu niet meer. Ik heb wel veel vogelboeken thuis.” Intussen wandelen we rustig verder en worden we ingehaald door de vrouwen. “Kijk, het zijn net kievieten”, zeg ik. “Ik vind het eerder kakelende kippen”, reageert Theo. “De hele dag maar praten. Wat gaan we nu eigenlijk doen?”

“We gaan sporten. Wij twee tegen de dames.” Theo houdt weer stil en kijkt me aan alsof ik mesjogge ben geworden. “Heb je vroeger aan sport gedaan?” Theo wuift met een hand door de lucht om duidelijk te maken dat dit nou niet echt zijn ding is. Gedwee stapt hij achter mij aan de fysio-ruimte in, waar ik iedereen vraag om de rollators aan de kant te zetten, een stoel van de stapel te pakken en ermee een grote kring te vormen. Als iedereen zijn plek heeft gevonden, begin ik met rek- en strekoefeningen.

“Strek je armen uit boven je hoofd. Zo hoog als je kunt en pluk de appelen van de boom. Klim de ladder op met beide armen en benen om ook bij de hoogste takken te kunnen”, zeg ik en doe de bewegingen voor. De vouwen doen vlot mee, maar Theo doet mij met zichtbaar ongenoegen halfslachtig na. Als we na een paar minuten zijn opgewarmd haal ik badmintonrackets en een ballon uit de kast, deel ze uit en stel voor dat we, in tegenstelling tot wat normaal gebeurt, allemaal gaan staan. “Het spel is als volgt. Theo en ik moeten de ballon naar elkaar over slaan. De dames moeten hem van ons proberen af te pakken.” Dat lijkt Theo al leuker te vinden. Met een ferme haal geeft hij de ballon een tik en ik sla hem terug. Door het lichte gewicht zwabbert het ding uit zijn baan en komt bij een van de vrouwen terecht, die hem weer naar mij terug slaat. Als ik vervolgens een tweede ballon in de kring gooi, ontaardt het spel in een wild gevecht. Binnen de kortste keren staat iedereen met een rood hoofd tegen de ballonnen te meppen en doet zelfs Theo fanatiek mee. Als we aan het eind van het uur met bezweette lijven terug de woonkamer inlopen, roept een van de dames luid: “Dit was de leukste gymles ooit!” En daar sluit Theo zich graag bij aan.

Na de lunch ruimen de vrouwen de tafel af en wil Theo een sigaretje roken. Ik loop met hem mee naar de rookkamer. “En”, vraag ik hem, terwijl ik hem een vuurtje aanbied. “Viel het je mee vanmorgen?” Hij vond het in ieder geval beter dan kegelen, want daar heeft hij een bloedhekel aan. “In die andere groep kegelen ze alleen maar. Altijd maar kegelen, vreselijk.” Hij verwijst naar de dagopvang elders in het verzorgingshuis, waar mensen met een verder gevorderd stadium van dementie bij elkaar komen. Hij is daar eens een keer geweest en was zich rot geschrokken.

“Die mensen kunnen bijna niks meer”, zegt hij. “Arme stumperds zijn het.”

“Ja, het is geen vrolijk gezicht, he? Boezemt het je angst in, als je die mensen zo ziet?” Theo wil een haal van zijn sigaret nemen en kijkt me aan. Dan tikt hij met zijn wijsvinger op zijn voorhoofd.

“Ik heb het ook.”

“Dat weet ik. Iedereen die hier woont of naar de dagvoorziening komt, heeft een vorm van dementie. Dat hoeven we hier niet onder stoelen of banken te steken. Sinds wanneer weet jij dat je Alzheimer hebt?” Ik vraag het hem op de man af in de hoop dat hij het me niet kwalijk neemt.

Theo blaast een dikke rookwolk en steekt twee vingers in de lucht. “Twee jaar?”, vraag ik. Hij knikt en drukt zijn sigaret uit. “Hoe gaat het nu met je?” Met matte ogen kijkt hij me aan. “Met mij gaat het goed. Ik merk er niet veel van. Ik kan nog overal gaan en staan waar ik wil.”

“Dat is goed om te horen. Waarom ben je naar de ontmoetingsgroep gekomen?”

“Ik ben door mijn vrouw gestuurd”, zegt hij, terwijl hij zijn pakje Marlboro uit het mandje van zijn rollator opdiept. “Ik heb er nog maar twee. Ik mag er van haar maar drie op een dag roken.” Hij houdt het pakje sigaretten onder mijn neus, maar ik sla af en vraag waarom zijn vrouw hem hier naartoe heeft gestuurd. “Ze vond dat ik wat moest gaan doen, dus toen heeft ze mij hier aangemeld.”

“Wat vind je daarvan?” Theo haalt zijn schouders op. Hij weet het niet of wil het niet vertellen. Maar na een paar tellen stilte gaat hij verder. “Als het met niet bevalt, dan ben ik zo weer thuis. Dan moeten ze wel de deur voor mij opendoen. Niemand kan hier naar buiten, maar ik verdwaal niet. Ze zouden voor mij de deur toch nog wel opendoen?”

“Als jij naar huis wilt, dan kan dat. Je bent een vrij mens. Ga je nog weleens ergens naar toe?”

“Vroeger ging ik wel vogels kijken in de duinen. Maar ja…”, hij duwt tegen zijn rollator aan. “Met dit ding gaat dat niet zo makkelijk.”

“Dus eigenlijk kom je niet meer in de duinen? Ga je dan nog wens ergen anders heen, een museum bijvoorbeeld? Of hou je niet van musea?” Theo vertelt dat het al jaren geleden is dat hij in een museum is geweest. “Ik vind een museum wel leuk, maar mijn vrouw houdt er niet van.”

“Dus als ik het goed begrijp, zou je nog wel willen, maar komt het er niet meer van?” Hij knikt.

“Heb je zin om volgende week mee te gaan naar het Stedelijk Museum in Amsterdam?”

“Wat is daar te zien?” Ik vertel hem dat ik voor Nico en Mineke een tripje naar het Stedelijk heb georganiseerd. “Zij hebben ook Alzheimer en houden van kunst. Misschien vind je het leuk om ook mee te gaan? Als je zin hebt om iemand mee te nemen, dan kan dat. Ik heb een busje geregeld.”

"Busje komt zo."

“Busje komt zo.”

Een week later staan we met Nico en Mineke en hun beide dochters voor de deur van het Stedelijk Museum. Theo heeft zijn beste vriend Gerrit meegenomen. We krijgen een rondleiding en mogen een uur voor openingstijd naar binnen. Dan kunnen we voor dat de massa toeristen binnenkomt in alle rust naar de kunstwerken kijken. Het Stedelijk Museum organiseert voor mensen met dementie speciale rondleidingen. In dat kader heeft educatief medewerkster Noek op mijn verzoek een aantal kunstwerken met portretten geselecteerd. Het is een opstapje naar de workshop die we na het museumbezoek zullen organiseren; we gaan zelfportretten maken.

De portier van het Stedelijk ontgrendelt voor ons de deur en bij binnenkomst staat er al een rolstoel voor Theo klaar. Twee uur op zijn benen staan achter een rollator is te vermoeiend. De rest krijgt een lichtgewicht klapstoeltje uitgereikt. Na de nodige welkomstwoorden en het opplakken van naamstickers wandelen we achter Noek aan, die ons langs werken van Toorop, Picasso, Matisse, Gilbert & George en Robert Longo leidt.

In tegenstelling tot de reguliere rondleidingen, vertelt de gids niet zozeer over het werk en de kunstenaar, maar nodigt zij ons uit om zelf te vertellen. Wat zien we? Wat doet dat met ons?

Theo luistert aandachtig naar wat de anderen vertellen. Af en toe doet hij ook een duit in het zakje. Naarmate de rondleiding vordert, begint hij zich steeds meer op zijn gemak te voelen en knoopt hij praatjes aan met Nico en Mineke. Bij het werk van Picasso, een dame met ontblote borst in een ligstoel, kan hij het niet laten om een pikant grapje te maken. Als zelfs de lollige kant van Theo naar boven komt, dan kan ik er gerust op zijn dat hij zich vermaakt. En dat hij het buitengewoon naar zijn zin heeft, blijkt ook dagen later nog wanneer zijn vrouw mij belt om te vragen hoe laat Theo bij de workshop verwacht wordt. “Hij heeft het er nóg over dat hij het zo leuk heeft gevonden.” De ansichtkaart met daarop een werk van Matisse die iedereen als aandenken aan de rondleiding van Noek heeft meegekregen, prijkt thuis op het dressoir en laat hij aan iedereen zien.

In vervolg op het bezoek aan het Stedelijk ga ik met Theo, Nico en Mineke zelf aan de gang om kunstwerkjes te maken. In het museum hebben we vooral portretten bekeken en dat was niet zonder reden. Portretten vertellen iets over de geportretteerde. Dat kan van alles zijn en wij gaan aan het werk met gevoelsportretten. Kunnen we in een zelfportret weergeven wat er in ons omgaat? Naar voorbeeld van Matisse gaan we papier knippen en scheuren. Het is een moeilijke opdracht en Theo roept meteen dat hij twee linkerhanden heeft en zoiets helemaal niet kan. Nico daarentegen begint meteen te vertellen over zijn worsteling met de aftakeling in zijn hoofd en de angsten die dit bij hem oproepen. Als Nico ook vertelt dat hij het niet zover wil laten komen dat hij als een verwarde man door de straten begint te zwerven en voordien uit het leven wil stappen, wordt Theo getriggerd. Aandachtig volgt hij hoe Nico met gekleurde stukjes papier een mozaïek van zijn eigen binnenwereld maakt. Als hij naar het resultaat van zijn eigen gefröbel kijkt, zucht hij dat hij makkelijker overweg kan met papier en inkt. Volgens Nico moet hij niet zo laatdunkend over zichzelf oordelen. “Ik vind juist dat je het heel goed doet”, moedigt hij Theo aan. “Je moet er niet te veel bij nadenken, maar gewoon doen.” Maar Theo geeft het op. Als we na de workshop op het terras nog een kop koffie drinken, gaat Theo naast Nico zitten en biedt hij hem een sigaret aan. De twee lijken elkaar gevonden te hebben.

Een scene op het balkon

Theo is een binnenvetter. Dat is hij altijd al geweest, maar sinds hij de diagnose Alzheimer heeft gekregen, is hij er allerminst spraakzamer op geworden. Zeker in groepen laat hij het praten liever aan anderen over. En als hij deelneemt aan het gesprek, dan kun je van hem vooral een komische bijdrage verwachten. Over hoe hij zich voelt of wat hij wil, laat hij zich niet makkelijk uit, of het zit verborgen in zijn ironische grappen.

Een paar dagen na de workshop ga ik even bij hem langs. Hij weet niet dat ik kom. Als zijn vrouw Nel mij binnenlaat, tref ik hem in zijn karakteristieke situatie: in een stoel op het balkon met een sigaret tussen de vingers. Hij grijnst als hij me ziet en biedt me onmiddellijk een peuk aan. Samen roken is leuker. Ik ben benieuwd hoe hij de workshop heeft gevonden.

“Dat was leuk. Vooral Nico is een leuke vent”, zegt hij. “Bijzondere man is dat.” Ik beaam het en vraag hem wat Nico zo bijzonder voor hem maakt. “Hij praat met een dokter”, zegt Theo. “Hij zegt dat hij alles heeft geregeld voor als hij niet meer wil.”

Ik bevestig dat Nico te kennen heeft gegeven dat hij de regie in eigen hand wil houden en daarom om de paar weken met een arts van de Levenseindekliniek praat. “Wat vind je daarvan?”, vraag ik. Theo schuift met de asbak over tafel. “Ik heb de papieren ook in huis gehaald. Ze liggen in het kastje naast mijn bed, maar ik moet ze nog invullen.”

“Oh”, zeg ik. “En heb je hier ook al met Nel en je huisarts over gesproken?”

“Nel zegt dat ik een afspraak met de dokter moet maken, maar die heeft geen tijd.”

“Geen tijd? Wie is je huisarts?” Theo noemt de naam van zijn huisarts. Het is een van de artsen uit de praktijk waar ook mijn huisarts zetelt. Ik ken hem wel, hij staat bekend als een liberaal man als het om euthanasie gaat die juist veel tijd voor zijn patiënten neemt. Ik vermoed dan ook dat Theo een smoesje ophangt en dat er iets anders aan de hand is. Maar als altijd is het niet makkelijk aan hem te ontfutselen. Ik besluit hem op de man af te vragen. “Wil je dood dan?”

Theo kijkt me verbaasd aan en frummelt in zijn sigarettendoosje. Op. “Wil je een shaggie van mij?”, vraag ik en begin er een te rollen nog voor hij antwoord heeft gegeven. “Ik begrijp dat jij ook nadenkt over euthanasie?”

“Ik wil niet hier beneden gaan wonen”, doelend op het verzorgingshuis waar hij vanaf zijn balkon royaal uitzicht op heeft. “Dat is toch geen leven. Heb je gezien hoe sommige mensen daar de hele dag alleen maar in een stoel achter het raam zitten? Ze kunnen helemaal niks meer.” Ik geef Theo het shaggie dat ik voor hem heb gedraaid en houd hem een vuurtje voor. “Ik vind het moedig van Nico”, gaat hij verder. “Hij is er heel open over.”

Nico is inderdaad heel openhartig en duidelijk over zijn levenseindewens en heeft er resoluut werk van gemaakt om zijn wens in goede banen te leiden wanneer het eenmaal zover is. “Als jij ook nadenkt over euthanasie, dan is het wel belangrijk om daarover te praten en goed op een rijtje te zetten wat je wensen zijn. Zou je er nog eens met Nico over willen praten, misschien?”

Theo klapt dicht, merk ik. Hij zit nerveus aan zijn shaggie te pielen en als hij uit elkaar valt, drukt hij het restje uit in de asbak. “Kijk, de kauwtjes zijn weer in de tuin”, zegt hij opeens opgewekt als er twee zwart gevederde vogels langs het balkon naar beneden duiken. “Die vreten de hele moestuin kaal.” Uit geveinsde nieuwsgierigheid naar de bezigheden van de vogels, krabbelt Theo op uit zijn stoel en kijkt over de balustrade naar beneden. Ik laat hem maar even gaan. Doorpraten heeft geen zin, vrees ik. Als hij een paar minuten zwijgend naar beneden heeft staan kijken, trekt hij een tissue uit zijn broekzak en dept zijn ogen. Schielijk kijkt hij mijn kant op en als hij ziet dat ik naar hem kijk zegt hij snel: “Nu niet denken dat ik een potje sta te janken, hoor. Ik ben de laatste tijd wat verkouden.”

Achter de schuifdeur is Nel opgedoken met een dienblad met twee biertjes en een schaaltje zoutjes. Ik neem het blad van haar aan en zet de glazen op tafel. “Kom, we gaan pinten drinken.”

Het is alweer een paar weken later wanneer ik Theo probeer te bellen. Hij is inmiddels met Nel op vakantie naar vrienden in Limburg geweest en wil hem vragen of hij deze week nog eens een dagje met Nico, Mineke en mij wil gaan schilderen, maar ik krijg geen gehoor. Vreemd, denk ik. Hij is ook al een tijdje niet op de ontmoetingsgroep verschenen. Als ik ’s avonds word teruggebeld is het Nel met de boodschap dat Theo in het ziekenhuis ligt. Hij is ziek teruggekomen uit Limburg en ligt nu met een longontsteking in het Spaarne Gasthuis. Door de hoge koorts heeft hij een stevig delier gehad. Volgens Nel gaat het nu weer iets beter met hem, maar hij is wel vaker de kluts kwijt.

Als gevolg van de longontsteking en zijn herstel nadien, zal hij Nico niet meer ontmoeten. Nadat Nico nog met zijn vriend naar New York is geweest, gaat hij plotseling snel achteruit en komt het moment van zijn zelfgekozen levenseinde toch nog ineens onverwacht. Als ik Theo vertel dat Nico is overleden, is hij gechoqueerd. Theo en Nico waren leeftijdsgenoten, ze waren allebei in voor een grapje en hadden plezier in het leven gehad. Daar kon Theo zich goed aan spiegelen en hij had ontzag voor Nico’s overtuiging om uit het leven te stappen voor hij in volledige afhankelijkheid in een verzorgingshuis opgenomen moest worden.

Met het wegvallen van Nico lijkt het of Theo een strohalm ontvallen is. Het onderwerp euthanasie is niet meer bespreekbaar. Nel probeert het onderwerp nog een paar keer aan te snijden, maar Theo wil er niets meer van weten. Ook zijn beste vriend Gerrit probeert het nog eens aan te kaarten, maar ook daar gaat Theo niet op in. Hij wil het er alleen nog met mij over hebben.

Tijdens de Haarlemse Kunstlijn, waar wij in verzorgingshuis Overspaarne een workshop portrettekenen organiseren voor bewoners en hun familieleden, klampt Theo mij aan. Hij wil weten hoe het met Nico is gegaan in zijn laatste weken.

Ik vertel hem hoe Nico in de zomermaanden plotseling sterk achteruitging, nadat hij een kleine hartinfarct had gehad. Hoe de gesprekken met de arts van de levenseindekliniek steeds intensiever werden en Nico nog wekenlang sterk aan het leven bleef hechten, tot hij zichzelf realiseerde dat hij niet verder kon. Toen het genoeg voor hem was heeft hij in de nabijheid van zijn dochter en zijn vriend vredig afscheid genomen. Theo luistert met tranen in zijn ogen.

“Ik wil ook niet in een verzorgingshuis terechtkomen”, zegt hij na een tijdje. “Dan mag het voor mij ook afgelopen zijn.”

Als ik informeer of hij voor zichzelf een duidelijk idee heeft waar zijn grenzen van een waardig leven liggen, herhaalt hij dat die bij de voordeur van het verzorgingshuis ligt. “Dan moet je dat bespreken met Nel en je huisarts”, herhaal ik mijn eerdere advies nog maar eens. “Waarom praat je er met Nel niet meer over?” Theo haalt zijn schouders op. “Wil je er nog wel over praten?” Hij knikt weifelend. “Met wie dan?” Met een droevige blik kijkt hij me lang en stil aan. “Met mij?”

Ik sla een arm om zijn schouder en moet zelf even diep ademhalen. Wat ga ik zeggen? Ik ken Theo nu ruim een jaar en we kunnen het goed met elkaar vinden. Ook gun ik het hem van harte als hij mij in vertrouwen wil nemen. Tegelijk voel ik dat mijn relatie met hem begrensd is. Een goed gesprek voer ik graag. Ik ben het echter aan mijzelf, als schrijver van zijn verhaal, verplicht om ook enige afstand te houden.

“We kunnen als vrienden praten over het leven, jouw Alzheimer, jouw waardigheid en de grenzen daarvan, maar Nel is degene die aan de rand van jouw bed zit en waar je de intiemste momenten van je leven mee deelt. Ik weet van jullie beide dat jullie nu in een verstandshuwelijk met elkaar leven. Als jij geen Alzheimer gehad zou hebben, dan was Nel van je gescheiden. Dat hebben jullie mij allebei verteld. Maar Nel is juist bij je gebleven om voor je te zorgen, zoals jij dat altijd voor haar hebt gedaan. Dat doet ze uit liefde en dankbaarheid voor jou. Ze is nu juist bij jou gebleven om je bij te staan. Als je het fijn vindt om met mij over het opstellen van een euthanasieverklaring te praten, dan kan dat wel, maar dat zal ik niet doen zonder Nel daarover in te lichten. Ik schrijf in eerste instantie over jouw leven nu. Als je wilt, gaan we binnenkort eens samen zitten.”

“Gaan we dan nog eens bier drinken?”, zegt hij half grappend.

Het gesprek zal er niet komen. Als Theo ’s avonds na de activiteiten van de Kunstlijn met Nel en zijn buurman van negentig jaar aan de overkant een hapje is gaan eten, struikelt hij met zijn rollator over de stoeprand en bezeert hij zijn knie. Omdat Nel zelf ook achter een rollator loopt, kost het ze bijna een uur om de tweehonderd meter naar huis af te leggen. De volgende ochtend kan Theo niet uit bed komen. Hij verrekt van de pijn en kan zijn knie niet buigen. Nel belt de huisarts die gebiedt dat ze op het spreekuur komen. Met pijnlijke gewrichten van de reumatische artritis lukt het haar om Theo met veel geworstel in de auto te krijgen. Als ze aan het eind van de middag weer thuiskomen zit het linkerbeen van Theo van enkel tot lies in het gips. Zijn knie blijkt gebroken te zijn. De komende zes weken is hij aan een rolstoel gekluisterd.

Na twee weken belt Nel mij op en ik hoor aan haar dat de zorg haar zwaar valt. Als ik even later bij hen binnenstap, zit Theo in zijn stoel naar de televisie te kijken. Aan zijn rechterzijde staat zijn rolstoel, aan zijn linkerzijde zit Nel er verslagen bij. Nel probeert de boel een beetje draaiende te houden thuis, maar door de pijn in haar eigen lijf is ze nauwelijks in staat om hem te verzorgen.

“Ik kan hem ’s morgens nauwelijks uit bed krijgen. En ik kan hem eigenlijk ook niet helpen met naar de wc gaan. Ik heb er de kracht niet voor in mijn handen en armen”, vertelt ze afgepeigerd. “Ik kan hem niet thuis verzorgen. Maar het Centrum Indicatie Stelling kan pas volgende week langskomen om hem een indicatie voor een verzorgingshuis geven waar hij kan revalideren.” Ik kijk naar Theo. Hij laat het gesprek ogenschijnlijk aan zich voorbijgaan. “In de Molenburg hebben ze plek, maar daar willen ze hem pas opnemen als hij een indicatie heeft gekregen. Ze zijn anders bang dat ze hun geld niet krijgen”, gaat Nel beklagenswaardig verder.

“Maar euhm… je zit dus al twee weken te wachten tot er iemand langs komt om te constateren dat Theo in het gips zit en jij thuis achter een rollator loopt en dat dit onhoudbaar is? Ze kennen jullie dossier daar toch?” Ik kan mijn oren niet geloven. “Kan dat niet anders? Dit is toch geen doen!?”

Nel vertelt dat ze hemel en aarde bewogen heeft en dat ene Jeroen van SHDH haar al veel regel- en belwerk uit handen heeft genomen, maar omdat het CIS onderbezet is, duurt het eindeloos voor er eens iemand langs kan komen. “Maar, volgende week dinsdag komen ze, hoor! En dan kan Theo naar de Molenburg.”

Inderdaad, vier dagen later kan Theo eindelijk naar verzorgingshuis Molenburg aan de andere kant van de stad. Zo kan Nel thuis op adem komen en krijgt Theo de verzorging die hij nodig heeft. Hij zal hier blijven tot hij weer gerevalideerd is en daar kijkt hij als een berg tegenop.

“Het eten is hier niets”, moppert hij als ik vraag hoe het met hem gaat. In de woonkamer laveert hij met zijn rolstoel tussen de meubelstukken en posteert zich aan de eettafel, waar we een kop thee drinken. Op de gang schuifelt een mevrouw op haar rollator gezeten door de gang. Ze wil met de lift naar beneden, maar mag dat niet. Luid jammerend blijft ze dan maar baantjes trekken. Als een huisgenoot zich aan het gestrekte been van Theo stoot, begint hij luid te vloeken. Bij de televisie zitten drie dames in hun fauteuils te dutten. In de keuken zit een verzorger een zak aardappelen te schillen. Dit is niks voor Theo en ik zie aan hem dat hij ongelukkig is. Ik probeer hem op te monteren door hem voor te houden dat het maar tijdelijk is. Tot hij zichzelf weer kan redden, dan mag hij weer naar huis. Maar ook dat loopt uiteindelijk anders dan gepland.

Als Theo twee maanden later weer thuis is, ziet hij er een paar jaar ouder oud. Hij is vermagerd, versomberd en alle medische perikelen hebben hem ook cognitief niet goed gedaan. Hij is steeds vaker in de war. Na bijna vijftig jaar huwelijk serveert hij Nel opeens koffie met melk en suiker. Als hij de vaat in de kast wil opbergen, kan hij de weg niet meer vinden. Op de ontmoetingsgroep is hij niet meer welkom, daarvoor is hij te veel achteruit te gaan. De dagopvang is voor hem geen alternatief. Dus zit Theo weer achter zijn computer en speelt hij de godganse dag patience. Nel pendelt met haar rollator heen en weer tussen de zorg voor haar man en het Leids Unversitair Medisch Centrum voor een behandeling aan haar heupen.

Theo zal zijn zeventigste verjaardag nog een keer thuis vieren, maar woont dan al in Sint Jacob. Thuis wonen is geen optie meer. Gelaten stemt Theo in met een definitieve verhuizing.

“Dan is het er toch nog van gekomen”, zegt hij zachtjes. “Mooi kut.” Theo racet met een scootmobiel voor mij uit en laat mij zijn kamer zien. De kamer meet ongeveer vier bij vier meter en is door Nel ingericht met nieuwe IKEA-meubelen. Naast zijn leunstoel staat een bloempot met aarde waar tientallen sigarettenpeuken in groeien. “Je mag tenminste wel op je kamer roken”, zeg ik. Hij kijkt mij ondeugend aan. “De zuster rookt zelf ook”, zegt hij. “Dat is tenminste iets.”

Ik help Theo in zijn jas en geef hem zijn pakje peuken. “Kom”, zeg ik. “Karren met dat ding, de bus staat zo voor de deur.” Terwijl hij weer op zijn scootmobiel gaat zitten, vraagt hij waar we heen gaan. “Naar het Frans Halsmuseum.”

“Weet je”, zegt hij met een dankbare blik in zijn ogen. “Daar ben ik sinds de middelbare school niet meer geweest.”


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *